Voor allerzielen en voor alle zielen. 

Een paar fragmenten uit het verhaal van Guillaume Van der Stighelen.

(Wat het is. Vele dromen later. Pelckmans 2015)

Guillaume Van der Stighelen lacht veel en vertelt graag. Een geboren optimist, zo iemand die je graag in je buurt hebt omdat zijn goesting in het leven bijna besmettelijk is. Hij is een zondagskind, vertelt hijzelf, geboren voor het geluk, elke dag een geschenk. En dan slaat het noodlot toe. Zijn zoon Mattias valt in een keldergat en breekt zijn nek. Hij is op slag dood. Na het ongeval was hij voor twee dingen bang: dat hij zijn vrouw nooit meer zou zien lachen – en zij kon zo mooi en goed lachen – en dat hij dat zondagskindgevoel kwijt zou zijn. De dag na de dood van Mattias scheen voor het eerst dat jaar de zon, dat was een hoopvol signaal. Hij heeft opnieuw moeten leren dromen, dat zeker, maar de zon is niet ondergegaan. ‘In alles zit geluk en ongeluk, goed en slecht. En ik heb het talent om de goeie dingen te herkennen en te appreciëren. Da’s mijn geluk.’

LIEFDE EN WIJSHEID

Van mijn moeder heb ik liefde meegekregen, grote, ontwapenende, krachtige liefde. Zuiver en zonder woorden. Onbeschrijfbaar en onschrijfbaar. Als het niet meer gaat, gewoon graag zien, dat was haar regel. Mijn ma mocht eigenlijk geen kinde- ren krijgen voor haar gezondheid. Maar het waren de golden sixties en voor ze het wist had ze er vijf. Ze is dan ook heel jong gestorven, vóór haar vijftigste. Een klein, tof, fier madammeke, een schoon meiske. Getrouwd met een zeeman, een officier op de Congoboten. An Officer and a Gentleman, ik kan die film niet zien zonder aan mijn ouders te denken. Mijn vader was de grote, knappe officier die in zijn witte kostuum het cafémeisje kwam redden om er een chique madam van te maken. ‘Love lifts us up where we belong!’ Mijn ma was dankbaar en pa was God.

Mijn vader kon soms ongelooflijk slimme dingen zeggen. Waarbij je je dan afvroeg: ‘Weet hij nu hoe slim dat is, of slaat hij zomaar wat uit zijn botten?’ (Lacht.) Hij is altijd een beetje een zeeman gebleven. We hadden thuis een kleine zeilboot waar we met het gezin al onze vakanties op doorbrachten. Op een avond waren we aan het zeilen op de Schelde. We zaten met twee aan dek, mijn pa en ik, hij met zijn pijp in de mond. Achter de zandbanken schoof er een schip voorbij de onder- gaande zon. Wauw, prachtig. Ik was helemaal ondersteboven van de rust en de schoonheid van het moment. ‘Pa, ze zeggen soms dat zeemannen gelovig worden door de angsten die ze op zee uitstaan,’ zei ik, ‘maar ik denk dat het deze momenten zijn die het ‘m doen. Op zo’n moment wil je toch dank u tegen iemand zeggen, dank u wel voor zoveel schoonheid.’ Hij trok eens aan zijn pijp. ‘Wel jongen,’ zei hij, ‘bedank dan uzelf maar. Er zijn veel mensen die niet eens beseffen wat een privilege het is om zoiets mee te maken. Die het niet eens opmerken.’ Dat vond ik zéér wijs. Het was meteen het einde van het gesprek, daarna restte er enkel stilte. En het was één van de weinige gesprekken dat niet eindigde in een mot. (Lacht.)

HET GROTE MECHANISME

Ik was een heel nieuwsgierig kind. Ik wilde alles begrijpen, waarschijnlijk vanuit het pretentieuze idee dat alles begrijpbaar is. Ik herleidde gewoon alles tot datgene wat ik verstond. Verstandige mensen beginnen te studeren, maar ik deed het andersom: ik zocht – en zoek nog altijd – mijn eigen bevattelijke systemen in de dingen. Zo ging ik bijvoorbeeld de kosmos even herleiden tot een slingerbeweging van een knikker aan een koordje. Wat is de wereld anders dan uit hun lood geslagen atomen en moleculen die allemaal weer hun rustpunt zoeken en daardoor mekaar uit evenwicht brengen? Ik kon oeverloos door emmeren over zulke dingen. Mensen werden daar echt moe van. Het Grote Mechanisme, ik heb er meer dan één lief aan verloren! (Lacht.) Die waren niet geïnteresseerd in mijn gezever, die wilden gewoon gekust worden. Daarom is het schrijven zo’n zegen voor mij: ik kan nu een hele dag tegen mezelf zitten zeveren, zonder dat iemand er moe van wordt. Worden ze het toch moe, dan doen ze gewoon het boek dicht.

EEN WONDERKIND VAN 50

Het was geen pretje om mij in de klas te hebben. Ik zat altijd helemaal achteraan in de klas. Niet als straf, maar simpelweg omdat ik zo de anderen niet stoorde.
Zij konden mij negeren, en ik hen. Zo heb ik leren tekenen. Ik deed niets anders dan tekenen tijdens de lessen: de situaties, mijn klasgenoten, de leraren. Het moet zijn dat ik daar de stiel geleerd heb, op school, wat niet de bedoeling was van die lessen, maar kom. (Lacht.) Ik had er succes mee. Sommige leraren waren kwaad omdat ik van hen nog geen karikatuur gemaakt had. En de meisjes waren er ook zot van. Meer dan van mijn gezever over moleculen. Die aandacht was mooi mee- genomen natuurlijk.
Als kind had ik geen specifieke droom, maar ik wilde wel heel graag iets heel goed kunnen. Het maakte zelfs niet uit wat. Ik wilde een wonderkind zijn. Ik vond het heel belangrijk om verbazend jong te pieken. Zoals Lukaku of Mozart.
 Ik voelde dat er iets in me zat. Ik zag mezelf als een geschenk aan de wereld, maar de wereld besefte dat niet. Dat was ergerlijk natuurlijk voor mijn omgeving, voor mijn ouders, leraren, broers en zussen.

Maar ik ben het nooit geweest, een wonderkind. Ik ben cartoonist geweest, maar halfslachtig. Ik was scenarist, maar geen goeie. En met schrijven ben ik pas na mijn vijftigste begonnen. Een wonderkind van vijftig, ja.

guillaume
VOOR EEN PINTJE EN EEN FRIETJE

Op een bepaald moment, rond mijn twintigste, ben ik even met alles gestopt. Misschien net om die druk van een wonderkind te moeten zijn weg te nemen?
Ik weet het niet. Ik ben gestopt met mijn studie tuinarchitectuur en ik heb een goedkope kamer in Antwerpen gehuurd. Eén keer per week ging ik afwassen in een restaurant en van dat geld leefde ik. Je moet je daarbij de tijdsgeest voorstellen van de vroege jaren 70, de economische welvaartsboom van de golden sixties was net voorbij. ‘Wat maakt het allemaal uit,’ dacht ik, ‘al dat materiële geluk? Waarom niet kiezen voor een zinloos leven?’

Vooral op amoureus vlak was het een troosteloze periode. Ik was het zo beu om altijd gedumpt te worden. Dat was zo vermoeiend. Ik heb prachtige lieven gehad, maar die werden allemaal moe van mijn gezaag en van mijn romantische idealen. Diepe, donkere periodes van bodemloos verdriet waren dat. Over kerkhoven dwalen en tegen de grafstenen praten, door de straten lopen en dan smachtend achterom kijken, in de hoop dat ze me toch, tegen elk beter weten in, achterna zou komen. De ‘weltschmerz’ waar ik me in wentelde, man, echt pathetisch. De eerste vrouw die me niet gedumpt heeft, is mijn huidige vrouw. Die zag mogelijkheden in me, denk ik. (Lacht.)
Maar al bij al was het een mooie tijd. En ik kwam tot de ontdekking dat de hele heisa rond centen, een diploma en een vaste job dik overdreven is. Ik noem die periode mijn nulmeting. Ik was tevreden, ik had een dak boven mijn hoofd, en ik had vrienden. Ik tekende op een bierkaartje iemand zijn portret en die betaalde mij een pint. Als het Nederlanders waren, misschien zelfs een frietje. Ik liet me drijven op wat het leven me bracht.

FUNDAMENTEEL LUI

Het heeft allemaal te maken met een andere les die ik van mijn vader de zeeman geleerd heb: als je over boord valt, zwem dan niet meteen tegen de stroom in naar de dichtstbijzijnde boei. Maar laat je drijven, ga met de stroom mee en kijk waar
je vanzelf naartoe gaat. Da’s een levensles geworden voor mij. Waarom zou je je energie steken in het tegen de stroom in zwemmen als je zo toch maar ter plaatse blijft trappelen? Dat is pure verspilling van energie. Wat gebeurt er als je niets doet? Waar brengt de stroom je naartoe? Hoe kun je dan, met een kleine extra inspanning, toch je doel bereiken? Zonder al te veel moeite, want ik was – en ben – fundamenteel lui. En zo heb ik het altijd gedaan: op café amuseerde ik de mensen met cartoons op bierviltjes. Later heb ik daar – met een kleine extra inspanning, namelijk elke dag naar kantoor gaan en vergaderingen bijwonen – mijn job van gemaakt in de reclamewereld. Maar in se deed ik nog net hetzelfde: mensen amuseren met een filmpje, een tekening, een stukje tekst.

‘Waar droom jij van?’ Dat vroeg André Duval me bij de oprichting van ons reclame- bureau Duval Guillaume. ‘Euh, waar droom jij van?,’ speelde ik de vraag terug. Hij droomde van 200 miljoen frank op zijn bankrekening. Hij wilde beter doen dan zijn vader die failliet gegaan was en zijn gezin in schulden achtergelaten had. Zijn doel was niet failliet gaan, en als het even kon zelfs schatrijk worden.
Ik vertelde hem mijn droom: ik loop over de Croisette in Cannes, er zitten twee Braziliaanse meisjes in gele string op het strand, ze kijken me na en de één zegt tegen de ander: ‘Daar, dat is hem.’ (Lacht.) Geroemd en beroemd worden om iets wat ik heel goed kon, dat was mijn droom. ‘Goed,’ zei Duval, ‘ik zal u rijk maken, maak gij ons beroemd.’ En het heeft gewerkt. Die complementariteit was de basis van ons succes. Duval focuste op hoe worden we rijk en ik op hoe worden wij – of onze klanten, onze merken – beroemd en geliefd.
Het is goed dat wij zo complementair waren, Duval en ik. Ik zou alles gratis gedaan
hebben, want ik deed het graag, voor een pintje en een frietje. (Lacht.)

EEN LEVEN ZONDER DROMEN

Toen mijn zoon stierf, was voor mij het leven gedaan. Alles hield op. Niets had nog zin. Het absolute nulpunt. Als het leven stopt, dan kun je in een hoekje liggen janken dat je het terug wilt. Of je begint helemaal opnieuw, van nul. Je moet weer leren lopen, leren praten, leren lachen, leren leven.
Mensen die een kind verloren hebben, spreken altijd in ‘voor en na’, zoals in voor en na Christus. Bij ons is dat voor en na Mattias. In de periode na hem waren er eerst nul dromen. Een kind dat in de wieg ligt, heeft ook nul dromen, vermoed ik, tenzij af en toe eens aan de tepel hangen. (Lacht) Zo zwart is het eerst. Maar dan krijg je plots weer hele kleine droompjes. Dat begint met wakker worden en uitkijken naar de eerste persoon die komt aanbellen, maakt niet uit wie. Dat je je verhaal nog eens kunt vertellen. Dat je het jezelf nog eens kunt horen vertellen om weer zeker te zijn dat het waar is.
En dan, daarna, de droom, de hoop, dat er iemand met mij rond het park zou lopen. Want alleen durfde ik dat niet meer. En heel gek, dan rijst plots ook weer die vraag: ‘Wat zal ik later worden?’ Heel voorzichtig en stilletjes aan is er toch weer plaats voor ‘later’.
Schrijven was het enige dat ik nog kon. Als je heel je leven lang een moestuin gehad hebt en er overkomt je zoiets, dan zit je waarschijnlijk een hele dag in je moestuin tegen de prei en de selder te praten. Als je een schilder bent, dan ga je schilderen en vind je daarin je verhaal. Mijn strohalm was schrijven. Het spookte in mijn hoofd en door te schrijven kon ik die spookgedachten vangen. Mailtjes beantwoorden, soms van mensen die ik van haar noch pluim kende, stukjes voor de krant, teksten voor Mattias, gedichten, liedjesteksten, een essay, ik schreef. En ik ben blijven schrijven.

DE VLEUGELS VAN DE VRIENDSCHAP

Menselijk contact is zo belangrijk op zo’n moment. Het heeft mij en mijn vrouw over het zwarte gat gedragen. Gedragen door de vleugels van de vriendschap, het is een cliché misschien, maar het klopt wel. Je kúnt dat gewoon niet alleen dragen. Er mogen nog zoveel boeken geschreven worden over verdriet verwerken, da’s zoals een kookboek voor mensen zonder armen. Klop maar eens in de crème met die stompjes. Je kán gewoon niet en niks op zo’n moment. Je hebt de anderen nodig. We hebben zoveel geluk gehad dat we toen goed omringd werden met vrienden, familie, buren en kennissen.
Als iemand uit je omgeving zoiets overkomt, ga er naartoe, pak die mensen eens goed vast, praat en ween samen, breng eten en veel verhalen mee. We leven in een wereld met oneindig veel religies die allemaal hun rituelen hebben in verband met rouwperiodes. Maar op zo’n essentiële momenten, weten de mensen niet hoe ze zich moeten gedragen. Niemand heeft ons geleerd hoe dat moet, omgaan met kwetsbaarheid en groot verdriet.
Mensen zeggen ook gauw: ‘Als mij zoiets overkomt, laat mij dan maar gerust.’ Eén goeie raad, laat iemand op zo’n moment asjeblief niet gerust, nooit.

WAT EEN GELUK DAT ZIJ ER IS

Heel mijn leven ben ik een zondagskind geweest. Het leven was een sappige hamburger waar ik elke dag met veel goesting mijn tanden inzette. Zelfs in mijn meest duistere periodes, na het zoveelste lief dat me had laten zitten, kon ik geweldig genieten van mijn depressies. De weltschmerz en de neerslachtigheid waarin ik we wentelde, ik vond het allemaal boeiend!
Maar van de ene dag op de andere word je dan plots elke ochtend neerslachtig wakker, ook deze ochtend, ja. Je wordt wakker in een leven zonder dromen. Eigenlijk wil je gewoon zo snel mogelijk het licht weer uitdoen. Ik was bang dat ik dat zondagskindgevoel kwijt was. Dat ik een uitgedoofd en cynisch mens zou worden, niet meer in staat om ook maar érgens van te genieten.
Ik ben het niet kwijt, mijn vermogen om de goeie dingen te appreciëren, wat een geluk. De leegte die Mattias achterliet, blijft. Ik voel me niet meer onoverwinnelijk. In alles zit geluk en ongeluk.
En één ding is zeker, zonder mijn vrouw had ik het niet gekund, had ik het misschien zelfs niet overleefd. Da’s dan ook weer geluk hebben, dat zij er is.

Het is nu nog altijd heel moeilijk om te aanvaarden ‘dat het is’.
Dat Mattias weg is. Ik zeg dat dan tegen mezelf: ‘Het is. Ja.’ Oei. Dat slaat telkens weer in mijn nek. Verdriet is een valse compagnon. Je denkt soms dat hij weg is, maar plots staat hij daar weer achter een paal en ‘bang’!

VOLG JE ZIEL

Een zeilboot heeft een punt waar alle krachten zich verzamelen. Dat punt kan je niet aanduiden of vastnemen, je kunt er je jas niet aan ophangen. Het is ongrijpbaar, maar je weet dat het er is. Onze ziel is voor mij zoiets. Vroeger werden men- sen opengesneden om de ziel te vinden, zonder succes. Maar ze bestaat wel, die ziel. De ziel wordt heel voelbaar als iemand sterft. Die persoon zit vaak nog heel lang in je hoofd tegen je te praten. Dat is heel normaal. Dat is zijn of haar bezieling, die blijft. De invloed die je hebt op anderen, je indruk en je afdruk, die blijft heel lang doorwerken. In het Duits betekent ‘Ziel’ bestemming, doel. Het is onze ingebouwde gps, dat wat ons voortstuwt. Die ziel fluistert ons vragen in als: ‘Waarvoor ben ik eigenlijk gemaakt? Ben ik wel aan het geven wat ik kan en moet geven?’ Als je daar keihard naast zit, dan ben je ongelukkig, denk ik.

Voelen wat je bezielt, is heel belangrijk. Toen mijn kinderen jonger waren, moest ik op school gaan praten over ‘het werk van papa’. ‘Wat ga ik later worden?,’ vroegen die gasten van zestien jaar zich af. ‘Nee,’ zei ik dan, ‘je moet je afvragen: wie ben
ik vandaag ?’ Wat je zult worden, dat weet je niet, laat dat ook maar een verrassing zijn. Stel je liever de volgende drie vragen: ‘Wat wil ik weten, wat wil ik kennen en wat wil ik kunnen?’ Als je razend benieuwd bent naar de werking van het lichaam, studeer dan geneeskunde. Als je later geen dokter wordt, dan weet je toch iets waar je heel benieuwd naar was.’ Ik ben nu nog altijd blij dat ik tuinbouw gestudeerd heb. Wat voor de meeste mensen een vierkante meter onkruid is, is voor mij een klein ‘zoölogieke’, ik zie daar de wondertjes in, fantastisch! Doe iets wat je graag doet. Volg je ziel.

WAT BLIJFT IS DE LIEFDE

Ik geloof in het oordeel van de laatste seconde. Die laatste seconde breekt ooit aan, voor ieder van ons, daar kunnen we zeker van zijn. En wat zal dan ons oordeel zijn? Het licht gaat uit en je kijkt terug op je leven. Ben je tevreden met wat je deed en wie je bent, dan is dat de hemel. Ben je niet content… dat moet de hel zijn. En die kan eeuwig duren, denk ik. Dat heeft niets met successen of applaus te maken, of met het oordeel van anderen, maar enkel met je eigen oordeel. Het oordeel dat je velt over jezelf, als mens. De grote vraag voor veel mensen is natuurlijk: ‘Waarop zal mijn oordeel gebaseerd zijn? Wanneer ga ik tevreden zijn? Als ik een wereld- record op de fiets verbroken heb of als mijn kinderen nog tegen me spreken?’ Die laatste seconde zal het duidelijk maken.
Als dit, nu, mijn laatste seconde was… Als ik iets heb kunnen betekenen in de ogen van mijn vrouw, dan ben ik content. Als ze mij vergeeft. Als ik mezelf vergeef voor alle keren dat ik er niet was voor haar, dat ik het haar moeilijk maakte.
Wat blijft, is de liefde. Da’s zeker.

(Wat het is. Vele dromen later. Christina Van Geel, Pelckmans 2015)

Share on Facebook

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *