Op de valreep van 2016 hoorde ik gisteravond de mooiste zin die ik in jaren gehoord heb. “Vandaag zie ik je voor altijd graag.”

Nee, hij werd niet tot mij gesproken die zin, helaas. 🙂 Maar het zijn sowieso woorden die doen dromen. Van een soort van liefde. De mooiste. De soort die langer duurt dan het leven. Het was de echtgenoot van Alicja Gescinska die deze woorden tot haar sprak, toen ze mekaar pas kenden. “Vandaag zie ik je voor altijd graag.” Of hoe één moment in de tijd eeuwig kan duren.

Daarover vertelde Alicja gisteren bij Boekhandel De Reyghere in Brugge. Over de liefde, of het een keuze is of iets wat ons overkomt, soms tegen elke ratio en zelfs beter weten in. Dat je het hart niet kan bedriegen, dat dit bedrog zich tegen je keert in de vorm van leegte of gemis. En dat we als mens de morele verantwoordelijkheid hebben om het telkens weer beter te doen, een beter mens te zijn. Ongeacht wie we zijn en wat we doen. We can always do better.

Ik ken Alicja al een tijdje. Ik sprak haar voor het eerst tijdens de boekpresentatie van ’Het Moedige Midden’ van CD&V-voorzitter Wouter Beke in 2013. Wouter had Alicja uitgenodigd omdat ze heel eigen ideeën heeft over het begrip vrijheid. Ze is een fascinerende denker met een fascinerende geschiedenis. Poolse vluchteling, bijna kapster (als het van haar juffen op school had afgehangen), doctor in de filosofie, docente aan Princeton University, auteur van ‘Een soort van Liefde’, het verwonderde gezicht van het programma ’Wanderlust’ op Canvas, en dat zal niet het laatste zijn dat we van haar gehoord hebben. En ze is nog maar 35. Wacht tot ze groot is. De zin van het leven, daar hebben heel veel filosofen zich al het hoofd over gebroken. Ik was vooral benieuwd naar Alicja’s gedachten over dromen. Wat is volgens haar de zin van een droom?

Omdat woorden die doen dromen vooràl in de donkere dagen kunnen verwarmen, een blik in de ziel van Alicja Gescinska.

(Fragment uit het verhaal van Alicja Gescinska in ‘Wat het is. Vele dromen later’, Christina Van Geel, Pelckmans 2015).

 

Ik wil een vol en geleefd leven hebben

’Waarom is Jezus blank en niet zwart?’ Met dat soort vragen kon ik mijn ouders en leerkrachten vroeger de gordijnen in jagen. Ze zeiden me dat ik te veel nadacht, dat ik rare vragen stelde. Maar het is toch een terechte vraag. Als Jezus zwart was geweest, was racisme nu van een heel andere aard. Ik kon ontzettend lang doorbomen over zulke dingen, tot ik een duidelijk antwoord kreeg. Maar dat kwam er vaak niet. Ik herinner me dat we op de lagere school een opstel moesten schrijven over de vraag ’waarom lezen mensen de bijbel niet?’ Ik stak mijn hand op, maar voor ik iets kon vragen zei de juf: ’Jaja, Alicja, jij mag schrijven waarom mensen de bijbel wél lezen.’ Ze verwachtte al meteen een zekere tegendraadsheid. (Lacht)

Een context van dromen

Als kind had ik sterk het gevoel dat sommige dingen niet voor mij waren weggelegd. Ik heb er bijvoorbeeld nooit van gedroomd om violiste te worden. Dat waren andere verhalen, andere werelden, andere levens. Succesvolle mensen waren voor het succes geboren, en ik was gemaakt voor het kleine bestaan. Dat idee. In ons gezin was er ook geen vraag naar grote dromen. De enige vraag was: ’Hoe overleven we? Kunnen we de rekeningen betalen? Gaan ze morgen de elektriciteit niet afsluiten?’ Als je als kind vecht voor je bestaan, dan droom je er niet van om Mozart te worden. Dan denk je alleen aan overleven. Je dromen worden zo sterk bepaald door je context, door je gezin en de situatie waarin je je bevindt.

In Polen woonde ik met mijn ouders en mijn twee zussen in een grijze communistische blok. We hadden daar één kamertje. Zestien vierkante meter waar we met vijf mensen op leefden. Een vriendinnetje van me had een kamer meer. En als ik toen al ergens van droomde dan was het van die ene kamer meer, een beetje meer ruimte. Als je nooit villa’s en zwembaden hebt gezien, dan droom je daar niet van.
Ik kan me niet herinneren dat ik er ongelukkig was. Het was krap leven, dat wel. En ik absorbeerde dat het voor mijn ouders niet gemakkelijk was, dat het systeem hen onder druk zette. Mijn beide ouders waren ingenieurs, maar ze waren de communistische partij niet goed gezind. Lastig, want die bepaalde wel je hele leven. Ze konden niet aarden in een systeem van ’gatlikkerij’ en omkoperij. En ze wilden niet dat hun dochters opgroeiden in zo’n wereld. Ze wilden niet rijk of belangrijk zijn, ze wilden gewoon ademen. Ze wilden vrijheid van geest.

Dromen van roze bomen

Toen ik zeven was, zijn we gevlucht naar het Westen. Met verhalen voor het slapengaan hadden mijn ouders ons warm gemaakt voor dat ’Vrije Westen’. Ze vertelden hoeveel beter het leven daar zou zijn. Het Westen werd een sprookje voor mij, ik had er een volstrekt verkeerd beeld van. Toen we aan de grens met Duitsland kwamen, zei mijn vader: ’Zie je die bomen aan de overkant? Dat is Duitsland!’ ’Maar dat ziet er nét hetzelfde uit als bij ons’, dacht ik. ’Dat zijn dezelfde bomen, dat is dezelfde lucht als in Polen!’ Ik was vreselijk teleurgesteld. Ik had op zijn minst roze en paarse bomen verwacht, iets hélemaal anders dan wat ik kende.
Als kind besef je op zo’n moment niet wat er gebeurt. Je weet dat het niet gewoon is. Maar hoe groot en uitzonderlijk het is, daar heb je geen weet van.

Dat mijn ouders gevlucht zijn, dat ze hun geluk elders zijn gaan zoeken, dat ze hebben gezegd: ’Genoeg!’, dat bewonder ik enorm. Als ik een beslissing neem, denk ik daar vaak aan terug. Je moet het gewoon doén, je moet je leven gewoon leven. Dat hebben zij me voorgedaan, zonder grote woorden of lessen. Ze hebben het me voorgeleefd.

 

alicja

Toeschouwers van de vrijheid

Het vraagstuk van de vrijheid is me altijd heel dierbaar geweest. Het begon in een speelgoedwinkel in Lede. Daar had ik mijn eerste ’filosofische ervaring’ zeg maar. (lacht) Die speelgoedwinkel was een paradijs. In Polen had ik één knuffel, en deze winkel stond vòl met poppen. Pràchtige poppen. Zelfs mijn ouders liepen er te glunderen. Maar die winkel was voor ons niet meer dan een museum. We konden geen pop mee naar huis nemen. We hadden er het geld niet voor. Als je met heel weinig middelen een bestaan opbouwt is een kilo suiker belangrijker dan een barbiepop. Je denkt ook in die termen: ’Deze pop, dat is drie keer eten.’
Maar ik was enorm teleurgesteld. ’We zijn dus enkel naar hier gekomen om onze ogen uit te kijken’, dacht ik. ’We mogen de pracht en praal van de vrijheid aanschouwen, maar we zijn geen evenwaardige deelnemers.’ Dat gevoel had ik in die winkel: dat we enkel toeschouwers van de vrijheid waren, geen deelnemers. Ik had niet de vrijheid om die kleine droom, een pop voor mezelf, te realiseren.

De horror van een niet geleefd leven

Tijdens mijn studie Moraalwetenschappen in Gent kwam ik het personage Oblomov van schrijver Ivan Gontsjarov tegen, een hopeloos luie mens die de eerste honderd bladzijden gewoon in zijn bed blijft liggen. Hij heeft alle materiële vermogens, maar door zijn luiheid geraakt hij nergens. De plannen en de ideeën bestaan enkel in zijn hoofd, ze worden nooit verwezenlijkt. Door zijn luiheid mist hij ook de liefde van zijn leven. De horror van een niet geleefd leven. Van dromen die opdrogen. Gruwelijk. Ik herkende me daar in. Ik lag ook vaak in mijn bed te denken wat ik allemaal zou kunnen doen. En ik kwam tot de conclusie dat psychisch onvermogen ook een vorm van onvrijheid is. Hoe vrij was Oblomov, hoe vrij was ik zelf? Of je je nu geïmmobiliseerd voelt door een depressie, door de context die je klein houdt of door je eigen luiheid, het kan je vrijheid serieus beperken.

Door de grote belofte van vrijheid die mij als kind gedaan was, en de daaropvolgende teleurstelling heeft het thema vrijheid me altijd enorm geboeid. Ik heb mijn thesis erover geschreven, die thesis is een boek geworden, en zo is voor mij de bal aan het rollen gegaan.

Toen ik dat boek aan het schrijven was, werd mijn vader terminaal ziek. Mijn vader was een Oblomov-achtige man. Het eerste deel van zijn leven had hij gevochten voor een context van vrijheid, weg uit het communisme. Maar toen de context goed zat, toen dat stukje droom gerealiseerd was, zat hij psychisch vast. Hij kwam er niet toe de dingen te doen die hij had willen doen, om de vader en de man te zijn die hij wilde zijn. Hij zat hele dagen met een koptelefoon op naar de televisie te staren, en het leven passeerde. Het deed me weer beseffen: je begeven in een vrij land volstaat niet om je vrij en gelukkig te voelen. Hij is gestorven in het volle besef dat er meer mogelijk was geweest.
Zijn dood was belangrijk, net omdat de dood zo cruciaal is om je vrijheid ten volle te beseffen. Net omdat we eindige wezens zijn, omdat uitstel uiteindelijk afstel wordt. Daarom heb ik zijn ziekte en dood in het boek verwerkt. Zijn dood en onze sterfelijkheid maakt het begrip van de vrijheid volledig. Het heeft mij geleerd om niets uit te stellen.

De droom overkomt je

Ik denk niet dat we ten volle verantwoordelijk zijn voor onze dromen. Als je als bootvluchteling op weg bent naar Europa, dan droom je waarschijnlijk in de eerste plaats van droog land waar je een nieuwe toekomst kan opbouwen. Maar je kiest niet voor die droom, hij overkomt je, hij is deel van de weg die je aflegt. Wat je kan dromen is oneerlijk verdeeld in de wereld. Het hebben van bepaalde dromen is eigenlijk al een privilege op zich. Onze dromen leggen zoveel bloot over waar we ons bevinden in het leven, letterlijk en figuurlijk.
Ik voel me wel verantwoordelijk voor de dromen van de ander. Ik zou willen leven in een wereld waar moeders niet moeten dromen dat hun kind niet doodgeschoten wordt. Ik zou willen leven in een wereld waar ook hun dromen verder reiken. We hebben een grote verantwoordelijkheid voor mekaars dromen.

Een blik in elkaars ziel

Sommige dromen droom je niet, niet enkel omdat ze buiten je context zijn, maar omdat ze zo onwaarschijnlijk lijken dat je ze zelfs niet dùrft dromen. Maar soms, heel soms, overtreft het leven de dromen. Die zeldzame momenten waarop het leven de droom een stapje voor is. Die momenten zijn schaars, maar ze verdiepen het leven. Ik heb ook zo’n moment meegemaakt.

Afgelopen herfst heb ik met schrijver Gyorgy Konrad een fles rode wijn gedeeld in Brussel en een lang gesprek gehad over literatuur, God en het leven in het algemeen. Ik had altijd al veel bewondering en respect voor hem. En nòòit had ik durven dromen dat ik hem persoonlijk zou ontmoeten, laat staan verschillende keren in mijn leven. En toch. Een poosje geleden kreeg ik een uitnodiging van president Barroso en de Poolse premier Tusk of ik in Warschau wou komen spreken over het belang van Europa. Ik zat er met Gyorgy Konrad in eenzelfde gesprekspanel. Ik kon het zelf nauwelijks geloven, zo’n eer. Toen later het boek werd voorgesteld dat uit die conferentie is gegroeid, ben ik samen met Gyorgy uitgenodigd om het boek in Brussel voor te stellen.
De avond voor de boekvoorstelling zijn we in kleine kring iets gaan eten. Gyorgy en ik logeerden in hetzelfde hotel en na het diner hielp ik hem met zijn koffer, hij is al erg slecht te been. We waren nog niet moe, we hebben een fles rode wijn gedeeld en nog lang nagepraat. Eerst over Europa, maar dan verschoof het gesprek snel naar leven en lot, het schrijverschap, en onze persoonlijke positie daarin. Het werd een heel persoonlijk en bijzonder gesprek, waarbij ieder woord rechtstreeks uit het hart lijkt te komen. Bijzonder intiem ook, want je kunt niet intiemer zijn dan wanneer je in elkaars ziel kijkt.

Het is een moment dat ik heel mijn leven zal meedragen. Iets wat me zin in het leven geeft en zin aan het leven. Gewoon door een goed gesprek en het gevoel begrepen te worden en te begrijpen. Dat is uiteindelijk misschien de belangrijkste voorwaarde voor geluk in het leven: de ander. Niet alleen te zijn, in relatie staan tot je medemens.

Een zware gedachte

Mensen zijn zo dwangmatig op zoek naar geluk dat ze het geluk zelfs niet meer zien als het hen in de neus bijt. Dat is de leugen van het geluk: we streven voortdurend van alles na – een mooi huis, een lieve partner, een goed figuur, een toffe job – en als we het bereiken dan beseffen we: ’Oei, ik zit nog altijd met mijn existentiële angst, ik ben nog altijd bang van de dood, ik word nog altijd oud en ik zit nog altijd vol twijfels’. We schuiven onze doelen voortdurend op in de hoop een beetje verder ’het’ geluk te vinden. Alsof geluk de remedie is tegen alles wat ons doet wankelen. Dat is het niet. We blijven die vertwijfelde, zoekende en vaak ongelukkige mens.
We hebben het voorrecht denkende wezens te zijn, maar daardoor begrìjpen we ook dat we oud worden, dat we aan de kant geschoven worden, dat ons leven ooit geleefd zal zijn. Het is heel lastig om met dat begrip te leven. Het is een zware gedachte, maar ze maakt ons wel tot mens. Maar het is alsof we heel de tijd hard ons best doen om dat vermogen niet te hebben, omdat het ons zo onzeker en bang maakt. En dus hollen we maar rond in de hoop dat we vergeten.

We willen zo graag iemand zijn. We willen ons kunnen definiëren als moeder, als schrijfster, als burgemeester, wat dan ook. Alsof we daar onze identiteit in vinden. Dàt zijn wij. Mochten ze later zeggen: ’Alicja Gescinska, zij was… en zij is geweest. Niks bijzonders over te vertellen. Ik denk dat ze graag spaghetti at, misschien ook niet.’ Dat zouden we niet leuk vinden, alsof we geen leven gehad hebben. We zijn voortdurend op zoek naar wat ons voller maakt als mens, wat ons de moeite waard maakt. We zoeken zin in wat we doen en in wie we zijn. Als niemand nog iets van ons verwacht, en als we niks meer van onszelf verwachten, dat is de ultieme zinloosheid.

Maar of al die invulling ons ook gelukkig maakt? Ik vind dat dat het doel niet mag zijn. Geluk is het meest overschatte levensdoel. Het is gedoemd te mislukken. En eens je dat aanvaardt ben je een stap dichter bij je geluk.

Wat rechtvaardigt mijn bestaan?

Als ik 85 ben, vol rimpels en met wit haar… als ik dan kan zeggen dat ik de kracht heb gehad om de dingen te doen die ik wilde doen, dat ik mijn leven ten volle heb geleefd, dan is het goed. Natuurlijk zullen daar ongelukkige dagen tussenzitten, en zullen familieruzies zijn, er zullen mensen ziek worden en sterven. Maar dat maakt deel uit van het leven. Als het geluk langskomt zal ik het omarmen. En als het ontbreekt, hoop ik dat ik niet opgeef.

Toen mijn vader ziek werd en stierf heb ik me afgevraagd: Wat als ik het was geweest die terminale kanker had? Waarom zou ik het erg vinden om te sterven? Waarom zou het zo’n drama zijn? Natuurlijk zou het erg zijn voor mìj. Maar wat maakt het uit in de grotere context van het bestaan? Wat heb ik voor mijn medemens gedaan dat rechtvaardigt dat ik nog leef?
Ik vraag het me sindsdien voortdurend af: Waarom is het goed dat ik er nog ben? Ik roep mezelf ter verantwoording om mijn bestaan te rechtvaardigen. Wat doe ik met mijn tijd dat mijn bestaan de moeite waard maakt.

Ik heb het gevoel dat ik iets verschuldigd ben. Ik weet niet aan wie of aan wat. Mijn vader is er niet meer om te zeggen dat ik het goed doe. Maar in het aanschijn van mijn eigen dood, ten aanzien van iedereen die er niet meer is, voel ik me verantwoordelijk om het goed te doen. Ik voel me verantwoordelijk voor wat ik met de dag doe. Ik kan me heel slecht voelen als ik niets doe. ’Zou ik nu geen opiniestuk moeten schrijven’, denk ik dan. Al is er maar één mens die ik daarmee gevoeliger maak voor een bepaald thema. Ik heb niet de ambitie de wereld te veranderen met wat ik zeg of schrijf, maar ik wil me niet verbergen achter het fatalisme dat ik er toch niks aan kan doen. Ik vind het vreselijk als mensen zich verbergen achter hun onmacht en daarmee hun passiviteit goedpraten. Elke weerstand, hoe onopgemerkt ook, is de moeite waard. Zodat je kan zeggen: ’Dat was mijn zijn. Zo heb ik geleefd. Ik ben niet met de stroom meegegaan.’
Het is de enige manier om voor mezelf mijn bestaan te rechtvaardigen. Het maakt dat ik mezelf als mens in de ogen kan kijken. En dat vind ik belangrijk. Ik wil mezelf graag kunnen blijven zien.

De zin van een droom

Ik wil heel graag viool leren spelen. Dat is een klein droompje. Thuis werd me altijd gezegd dat dat veel te moeilijk was, dat je daar geniaal voor moest zijn. Maar nu denk ik: ’Als je alleen maar de dingen moet doen waar je potentieel geniaal in bent, dan moet je niks meer doen. Dan moet je zelfs geen spaghetti saus meer maken, er zal altijd wel iemand zijn die lekkerdere saus maakt.’ De weg naar de droom is voor mij belangrijker. We moeten meer leren genieten van het onderweg zijn dan van het bereiken van de droom. Op die manier geeft een droom richting en zin aan ons leven. De droom realiseren is dan geen doel op zich, en geen garantie op geluk. Dat is het nooit.
Maar als ik er plezier in vind om die viool, dat eeuwenoud instrument, te proberen begrijpen, al is het maar een klein beetje, waarom zou ik het dan niet doen? Het is alsof ik een klein stukje van de wereld zo weer een beetje beter begrijp.

De zin van een droom is ’to keep you going’. Een droom maakt het gemakkelijker om de nacht af te schudden en dag in te stappen. Hij geeft ons de energie om door te gaan, om een volgende stap te zetten. De droom doet ons verder gaan, misschien verder dan we zelfs ooit durfden dromen, het is een motor die ons voortstuwt, en die kracht geeft. Elke droom, of het nu een marathon lopen is of een boek schrijven, geeft ons het gevoel van een voller en meer geleefd leven.
Ik heb doelen, plannen, dromen ook. Ik heb dat nodig om zin te vinden, om te blijven gaan, en om de luiheid te overwinnen, dat ook.

Ik wil van mezelf een geschenk maken voor de ander. Het mag ook een heel klein cadeautje zijn. Maar dat is voor mij de zin van het leven. Mocht ik dat kunnen zijn voor iemand, eender wie, dan heb ik elke droom overtroffen.

 

(Tekst Christina Van Geel. Foto Bas Bogaerts)

Share on Facebook

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *