Ik ben vier. Hand in hand lopen we door de nauwere straten van Antwerpen, tussen het Hendrik Conscienceplein en de Grote Markt. Het is zomer, een warme dag. Veel flanerend volk op straat. We hebben de buggy mee, maar ik loop er naast. En we scanderen een versje, op de maat van onze stappen: ’pardon madam, pardon madam, pardon madam,…’ zo laveren we met de buggy tussen de zomerende mensen. Een vrouw zit op de stoep voor haar deur, ik wijs naar haar: ’Madame Pardon!’ Daar moeten we allebei heel hard om lachen. Ja, dat is Madame Pardon! En we stappen door. ’Pardon madame. Madame Pardon. Pardon madam. Madam Pardon. Pardon madam. Madam Pardon! …’

Ik ben zes. We zitten met zijn tweetjes in de keuken. Jij met een handdoek rond je schouders, je haren naar achteren gekamd. Ik ga je schminken. Als een clown! Met bordkrijt. Wit, rood en blauw bordkrijt. Je wordt een hele leuke clown. Achteraf blijkt dat bordkrijt niet zo’n goed idee te zijn. Je gezicht gaat ervan schrijnen, het jeukt en trekt, we moeten het snel snel afwassen. Je houdt er een rode, beetje verbrandde huid aan over. Maar zo leuk dat het was, en wat was je een mooie clown!

Ik ben negen. Het is vroege lente en we zijn forsythia gaan ’snoeien’ in het park. Dat mag niet volgens dat boze oude mevrouwtje die er ’eens vlug de parkwachter zou bijhalen’. Maar de vrolijke gele bloemetjes lijken het ons te vergeven. Luid zingend van de boom die op de berg staat (37 coupletten) leggen we alle boze mevrouwtjes het zwijgen op. Maar we zetten er toch maar iets flinker de pas in, onze armen vol forsythia.

Ik ben elf. Het is zondag. Ik haat zondag. Zondag moet ik weer naar huis, na een warm en vrolijk weekend bij jou. Maar ik wil niet naar huis. Jij bent ’thuis’. Ik tel de uren, de minuten, de seconden af. We kijken naar ’De Paradijsvogels’ op de BRT. We eten ’frikadellenkoek met kriekjes’. Die smaken altijd een beetje zuurder op zondag.

Ik ben 13. Donderdagavond. We zitten in de keuken. Jij overhoort mijn les geschiedenis. Zoals je tegenwoordig elke avond mijn lessen overhoort. Straks kijken we samen naar Panorama. Panòrama zoals den bompa dat uitspreekt, met de klemtoon op de o. Je maakt nog een kop warme melk voor me, met heel veel honing. Een gewone doordeweekse avond. Ik woon nu bij jou. Nooit meer zondag.

10616229_934581416555778_4921412181854403393_n

Ik ben 16. We zijn met vakantie in Spanje. Ik heb je één van mijn Agatha Christie’s geleend. ’Vind je het goed?’, vraag ik. ’Ja’, zeg je, ’maar ik denk dat ik al weet wie het gedaan heeft.’ ’Ah?’ ’Dat klein dik manneke, die zogezegde Belgische detective, die vertrouw ik voor gene cent.’ Ik rol met mijn ogen. ’Maar banaan!’ In de loop der jaren ben ik je banaan gaan noemen. Ik weet niet meer waarom.

Ik ben 21. Ik heb ruzie met mijn vriend. Ik vind dat hij me onheus behandeld heeft. Ik ben boos. Ik zit alleen op mijn kot in Leuven, te kniezen en te piekeren. Ik bel jou. Je kiest onvoorwaardelijk mijn kant. Mannen heb je nooit hoog op gehad. Voor je inhaakt zeg je nog dat ik me geen zorgen moet maken. Het komt goed. Mijn vriend is een goeie gast. In tegenstelling tot al die andere venten. Dat had je direct gezien. Je hebt gelijk, het komt goed.

Ik ben 30. Ik zit met mijn man in de wagen. Zijn telefoon gaat, jij bent het. Dat hij niet mag vergeten ’de klein’ van school te gaan halen. Want jij kan niet, je kan niet weg waar je daar zit. Je bent in paniek. Wie gaat er nu voor ’de klein’ zorgen? Een uurtje later zitten we bij je aan tafel, in het woon- en zorgcentrum waar je de tijd en de wereld een beetje uit het oog verloren bent. We verzekeren je dat het wel goed met ’de klein’.

Ik ben 45. En ik kan nooit onthouden wanneer je ook weer precies gestorven bent. Misschien omdat je er ergens nog altijd bent?

Dag banaan.
X

(13 oktober 1919 – 13 januari 2003)

Share on Facebook

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *