Dertig stiften, dertig stiften van Caran d’Ache, in alle kleuren van de regenboog. Dat was haar kinderdroom. Omdat ze vooral niet anders wilde zijn dan de andere kinderen in de klas. Omdat ze niet wilde opvallen, er wilde bijhoren. Dat vertelde Zuhal Demir me in mei 2015, toen ik haar interviewde voor m’n boek ‘Wat het is. Vele dromen later’. We zijn intussen bijna twee jaar en alweer een paar dromen later: de districtsburgemeester van Antwerpen is intussen verhuisd naar Genk en is Staatssecretaris geworden. Maar onder die kinderdroom schuilt nog altijd dezelfde vrouw. Dat denk ik wel.

Lees even mee.

Mijn schoolvriendinnetjes hadden zo’n doos met dertig stiften van Caran d’Ache. In alle kleuren van de regenboog. Wij hadden thuis ook zo’n doos, één doos die we moesten delen met vijf kinderen. Iemand kreeg de rode stift mee, iemand de roze, iemand de oranje,… ’Neem uw rode stift’, zei de juffrouw in klas, en dan zat ik daar soms met mijn roze stift. De juffrouw boos: ’Waar zijn uw andere stiften, Zuhal?’ Maar als kind vertel je niet graag dat je ouders geen centen hebben voor vijf dozen stiften. Je wil niet anders zijn dan de rest, je wil niet opvallen. Je wil er vooral bijhoren. Ik wilde gewoon ook dertig stiften.

Op vakantie naar de speeltuin

Ik kom uit een arbeidersgezin met vijf kinderen. Mijn vader was mijnwerker. Eén loon voor zeven mensen, je kan je voorstellen: wij hadden niet veel. En kinderen vergelijken. De anderen hadden soms een extraatje mee, een chocolaatje bij de boterhammen of zo. Dat hadden wij niet. En in september hoorde je de verhalen, dan waren ze naar Spanje geweest of naar Frankrijk. En wij waren meestal nooit ergens geweest. ’Hoe zou het daar zijn in die andere landen?’, daar droomde ik van.
Wij woonden in de mijnwerkerscité in Waterschei met de andere Turken en Marokkanen. We speelden vaak op straat. Je had er een speeltuin, en dat was in de zomer onze vakantiebestemming. (lacht) Mijn moeder smeerde boterhammen en dan gingen we picknicken in de speeltuin. Mijn vader kreeg ook coupons, en daarmee konden we elke zomer één dag naar Blankenberge. Dat was een fantastische dag. Met zijn allen met de trein van Genk naar Blankenberge. Met de frigobox natuurlijk, want we hadden geen geld om iets te gaan eten. Maar we kregen wel een ijsje!

Ik heb mooie herinneringen aan die tijd, maar ik had altijd gevoeld dat er meer mogelijk was.
Ik wilde eruit, uit dat milieu. Niet vanuit arrogantie, maar ik wilde het gewoon beter hebben, het beter doen. Ik wilde iets maken van mijn leven. Ik wilde vooruit.

Papa is Zwarte Piet

Mijn vader heeft me dat ook meegegeven in mijn opvoeding. Elke avond kwam hij pikzwart thuis, hij zag eigenlijk altijd zwart, hoe dikwijls hij zich ook waste. Dat zwart van de steenkool ging er gewoon niet meer af. Als kind snapten we niet waarom ons vader zo zwart zag, hij is Zwarte Piet dachten we. Later beseften we wat een hard leven hij daar beneden leidde. Hoeveel miserie er in die putten was. ’Ik moet in de mijnen werken, honderden meters diep, en ik doe dat voor jullie’, zei hij. ’Ik verwacht dus wel dat jullie iets maken van jullie leven.’ Dat was zijn dagelijkse preek. Hij wilde dat we het beter zouden hebben dan hij. Dat werd ons echt ingelepeld. Ik moést dus wel vooruit, ik had geen alternatief. Die sterke wil om iets van mijn leven te maken, dat heeft me enorm bepaald.

Dat maakt je als mens, en als kind al, hard. Het leven leek een continue strijd. Dat gevoel heb ik lang gehad. Tot ik mijn diploma Rechten heb gehaald eigenlijk. Toen viel er iets van me af, ’Oef, chill, ik ben er geraakt.’ Dat diploma was het ticket tot mijn bevrijding, zot hé. (lacht) Maar heel het traject ernaartoe was een harde strijd. Ik moest door alle clichés heen. Als arbeiderskind én als allochtoon kind.

In het wiel van Marleen

Op de concentratie school waar ik ging, zaten ook een paar Vlaamse meisjes. En ons vader had ons ingepeperd: ’Je moet op school met Vlaamse kinderen spelen, anders ga je nooit Nederlands leren.’ Marleen was mijn beste vriendin. Haar vader was ingenieur, mijn vader was mijnwerker. Misschien weet ze dat niet, maar zij heeft mee mijn toekomst bepaald. Ik trok me op aan haar. Ik volgde in haar slipstream. Zoals een wielrenner koerst in het wiel van wie voor hem rijdt.
Na het zesde leerjaar wilde ik heel graag Latijn leren. Maar ik kreeg van overal het advies: ’Je spreekt thuis al Turks en Koerdisch, Nederlands is je derde taal. Dan nog Frans en Engels erbij. Latijn is echt een brug te ver voor jou.’ Terwijl ik dat zo graag wilde! Ik had ook goeie punten, maar dat deed er blijkbaar niet toe. Ik was allochtoon, dùs ik kon geen Latijnse aan. En mijn ouders, brave mensen van de eerste generatie migranten, met enòrm veel respect voor ’het gezag’, die wisten niet beter dan te luisteren naar de leerkrachten en naar het PMS.
Marleen ging wel Latijn doen, voor haar was dat evident. Haar pad was al uitgestippeld. Ik moest het mijne nog uitvinden. Ik was maar twaalf jaar toen, maar ik dacht: ’Foert, ik ga wél Latijn doen. Als Marleen dat kan, dan ik ook!’

Ik herinner me nog de dag van de inschrijvingen. Mijn mama had me ingeschreven in de ’moderne’. En je moet soms een beetje geluk hebben in het leven, toen geraakte ik aan de klap met een leraar Latijn. Ik kon natuurlijk mijn mond niet houden en ik vertelde hem dat ik zo graag Latijn wilde studeren, maar dat ik niet mocht. Mijn moeder keigegeneerd, ’Zuhal, asjeblief, zwijg!’ (lacht) Maar hij bekeek mijn punten van het zesde leerjaar, ’Jij moet Latijnse doen’, zei hij. ’Dat komt wel goed.’ Hij heeft mijn moeder verzekerd dat ik het aankon. En hij is me gaan inschrijven in de Latijnse.

Dochter op de dool

Toen ik Rechten wilde gaan studeren in Leuven stond de allochtone gemeenschap in Waterschei op zijn kop. ’Amai, de dochter van Kemal zou op kot gaan!’ ’Oei, dat doet ge toch niet!’ Ah ja, een dochter moest dicht bij huis blijven en kort gehouden worden. De sociale druk op mijn vader was heel groot. Hij wilde wel dat we verder studeerden, maar het moest ook niet té zot worden. En in Leuven op kot gaan, dat waren wel veel stappen in één keer. Hij stootte daar op een grens bij zichzelf. Mijn vader heeft dat later toegegeven: hij was enerzijds trots op mij, maar anderzijds was hij bang dat hij me kwijt was, dat ik als een losgeslagen kanon op de dool zou geraken. Hij zag me liever in Diepenbeek regentaat volgen en lerares worden, of tandarts. ’Een schoon beroep’. Maar dat interesseerde me niet! Ik wilde Rechten studeren! En Marleen ging dat ook doen, dat was een extra stimulans. (lacht)

Uiteindelijk heb ik me ingeschreven op de unief zonder dat mijn ouders het wisten. Ik had zelf een studiebeurs geregeld, om het financieel haalbaar te maken. En ik had een kamer op een peda gehuurd, daar was toch een beetje sociale controle. Allemaal om de pil voor hen te verzachten.
Ik was vastbesloten, ik wilde weg. Het was voor mij wel dubbel. Ik wilde weg, maar ik wilde hen niet bruuskeren, hen niet het gevoel deden dat ze niet ’genoeg’ waren. Uiteindelijk heb ik echt àlles te danken aan mijn ouders en aan mijn opvoeding. De passie om vooruit te gaan heb ik van hen gekregen.

Toekomst op het spel

In september heb ik hen verteld dat ik naar Leuven ging, dat alles al geregeld was. Ze zijn serieus geschrokken, het zat er eventjes dik tegen. Maar ze hebben redelijk snel de klik gemaakt. Ze beseften dat ze me niet konden tegenhouden. De lat werd wel hoog gelegd: ik moést slagen in eerste kandidatuur of het was gedaan. Ik kreeg geen tweede kans.
Het leven dat me in Genk mogelijk te wachten stond was absoluut mijn leven niet. In de Turkse gemeenschap was er elke week wel een bruiloft. Als je 20 jaar was, was het evident dat je trouwde en aan kinderen begon. En elke keer kreeg ik de vraag: ’En wanneer is het uw beurt?’ De gemeenschap verwachtte dat ik me in die traditie voegde. Maar ik wilde dat niet. Trouwen was niet mijn redding, het was niet mijn ticket naar de vrijheid. Integendeel.
Falen was dus geen optie, mijn toekomst stond op het spel.

Ik was zwaar gebuisd in mijn eerste kandidatuur. Paniek! En ik weet nog altijd niet goed hoe ik het gedaan heb, maar ik heb die zomer zò hard geblokt, ik wilde echt niet terug naar Genk! Ik zie mij nog staan bij de proclamatie, bibberend van de schrik. Mijn zus was mee met de auto, klaar om alle dozen weer in te pakken en terug naar Waterschei te rijden. Het was een kruispunt in mijn leven. En dan dat ene verlossende woordje: ’geslaagd’. De toekomst was gered. (lacht)

Een goed verhaal

Ik heb het lange tijd echt niet leuk gevonden om anders te zijn, om op te vallen. Ik herinner me dat een prof in Leuven bij wijze van experimentje vroeg: ’Hoeveel arbeiderskinderen zijn er hier in de les?’ Ik keek links en rechts, geen vingers. ’Ga ik dat nu durven toegeven?’, dacht ik. Ik schaamde me niet voor mijn afkomst, maar ik wilde niet anders zijn. Ik wilde gewoon ’gewoon’ zijn, één van hen. Maar dat was niet evident. ’Toch goed dat er vreemdelingen op de universiteit zitten’, zei een andere prof in mijn eerste kandidatuur. ’Vreemdeling?’, zei ik, ’Ik ben hier wel geboren hé!’ En als ze verwonderd waren dat ik toch zo goed Nederlands sprak, kon ik me daar echt kwaad in maken. Waarom zou ik nìet goed Nederlands spreken?!
Misschien is het ook niet zo evident. Veel leeftijdsgenoten die in de cité zijn gebleven, spreken nog altijd niet goed Vlaams. Je mag de sociale druk en de controle in zo’n buurt niet onderschatten. Wie vooruitging werd scheef bekeken. Ik heb nooit goed begrepen waarom precies. Het was alsof de mensen daar content waren met wat ze hadden.
Maar ik heb die vooroordelen altijd keihard willen counteren. Ik heb altijd willen bewijzen dat ik niet minderwaardig ben omdat ik uit een allochtoon arbeidersgezin kom, dat ik het wél kan.

Toen we afstudeerden mocht ik als studentenvertegenwoordigster voor een volle aula met proffen, studenten en ouders de speech doen. Mijn papa was zò fier. Ik zag dat mijn ouders toen wisten dat het een goed verhaal was, dat het goed gegaan was, ondanks hun vrees. Het gaf mij ook een boost, ik wist dat het mogelijk was.

Je moet ook een beetje geluk hebben, dat besef ik wel. Het geluk van ouders die je stimuleren om vooruit te gaan. Het geluk van vrienden die je meetrekken en die in je geloven. Als mijn vader een andere man was geweest, als ik geen Marleen had gehad die me de weg toonde, dan was het moeilijker geweest. Da’s waar.
Maar toch. Ik heb het wel zélf gedaan. Ik blijf daarop hameren bij allochtone jongeren: dat het kan. Je moet er wel iets voor willen doen, met gezaag en geklaag kom je er niet. En OK, het is allemaal niet evident, er zijn drempels, maar het kan.

Het gaat allemaal zo trààg!

Na mijn studies ben ik advocate geworden. Van politiek was geen sprake. Ik stond er niet bij stil dat dat een optie was. En ik had ook heel mijn parcours al uitgestippeld: eerst zou ik vennoot worden in het advocatenkantoor waar ik werkte, en dan rechter. Ik wilde echt heel graag rechter worden. Ik wil het nog altijd eigenlijk, die droom zit nog in mijn achterhoofd. Als rechter kan je veel meer doen voor de samenleving algemeen, je dient het algemeen belang in plaats van het individuele belang van je cliënt. Maar ja, het is anders gelopen. (lacht)

Ik was getrouwd met de neef van Jan Jambon. Op die manier was ik vertrouwd met de Vlaams nationale ideeën. Het is door Jan Jambon dat ik in de politiek zit. Hij is mijn politieke peetvader. Hij vroeg me of ik geen zin had in politiek. ’Och nee’, zei ik, ’het gaat allemaal zo trààg. Ik ga me vervelen, en ik ga veel te veel van mijn tak maken.’ ’Da’s de goeie houding’, zei Jambon, ’ge moét van uw tak maken!’ Het kriebelde wel, maar ik twijfelde. Ik was bang om binnen een partijstructuur mijn vrijheid te verliezen. Als advocaat deed ik mijn goesting, maar dan zou ik ineens naar de voorzitter moeten luisteren. (lacht) En ik wilde niet weer een stempel opgedrukt krijgen en in een hokje gestopt worden. Daar had ik al zo vaak tegen gevochten.

Weet je wat me uiteindelijk de stap heeft doen zetten? Op een avond zat ik in de keuken naar TV te kijken en ik hoorde dat Siegried Bracke naar de N-VA ging. Ik zag hem daar zitten met Bart De Wever op die persconferentie. ’Als Siegfried het doet, dan moet ik het ook doen!’, dacht ik. (lacht) Ik keek naar hem op. En net als hij heb ik geen stamboom in de Vlaamse beweging. Als het mogelijk was voor hem, moest het dat voor mij ook zijn.

Geen goed einde

En toen zei mijn man: ’Nee, ik wil niet dat je dit doet.’ Hij zag het niet zitten. Ik zou veel te veel weg zijn van huis. Hij wist ook dat ik dit niet zomaar een beetje kon doen, dat zit niet in mijn aard. Ik smijt me altijd helemaal. Hij was bang dat we uit mekaar zouden groeien.

Ik ben thuis heel feministisch opgevoed. Mijn moeder is huisvrouw geworden omdat ze geen keuze had. Maar ze wilde dat haar dochters werkten. Ze wilde dat we financieel onafhankelijk waren, dat we ons niet lieten doen door onze man en dat we ons eigen belang voorop stelden. ’Als uw man u ooit tegenwerkt in uw carriere, mag je dat niet aanvaarden, nooit!’ Dat heeft ze me altijd op het hart gedrukt. ’Want finaal, als puntje bij paaltje komt, als je relatie stukloopt, dan sta je daar schoon. Zonder leven.’

De les van mijn mama indachtig heb ik niet naar mijn man geluisterd. Pas op, ik begreep zijn weerstand wel. Mijn beslissing om in de politiek te gaan, heeft ons leven effectief drastisch veranderd. En uiteindelijk zijn we ook gescheiden. Ik denk dat mijn ex-man mijn keuze ervaren heeft als een keuze tégen hem. Dat was het niet, ik heb gekozen vòòr mezelf, voor mijn leven. En toch in de hoop dat we een evenwicht zouden vinden. Dat is helaas niet gelukt.
Een scheiding is geen mislukking, maar je ervaart het wel zo. Je hebt iets niet tot een goed einde gebracht. Dat knaagt. Ik zeg mezelf dat ik me niet schuldig moet voelen, maar toch… Soms denk ik: Wat als ik die keuze niet gemaakt had? Dan had ik nu misschien een gezin en kinderen. Wie weet.

Is dit wat ik wil

Ik heb altijd de touwtjes van mijn leven strak in de hand gehouden. Maar in de politiek ben ik echt ingerold. Dat was niet voorzien! (lacht) Het stond niet in de planning van mijn leven. Ik ben gesprongen, zonder enig besef waar ik aan begon en wat er op mij afkwam. Nogal atypisch voor mij.
Ik sta er soms wel bij stil hoor: is dit nu wat ik wil? Ik doe het heel graag, en het gaat goed. En als ik zie bijvoorbeeld hoe blij de bejaarden in mijn district zijn als we een maatregel invoeren waardoor ze langer zelfstandig thuis kunnen blijven wonen, dan denk ik: ’Yes, ’t is toch plezant de politiek!’ Daar haal ik zelf genoegen uit. Ik voel me als politica wel verantwoordelijk voor andermans dromen. Ik kan hun dromen niet realiseren, maar ik wil de weg vrijmaken naar die droom toe. Een arbeiderskind dat ervan droomt om dokter te worden, moet naar de universiteit kunnen gaan met een studiebeurs en moet een goedkoop kot kunnen huren. Daar kan de politiek een verschil maken.
Maar soms knaagt het dat ik niet méér kan doen voor de mensen en de samenleving. Als parlementslid heb ik daar zo weinig impact op.
En ik weet dat ik dit niet heel mijn leven lang zal doen. Het is misschien naïef dat ik dit zeg, maar ik vind dat er geregeld vers bloed in het parlement moet komen. Ik vind het maar logisch dat je op tijd en stond plaats maakt. Het is niet gezond, niet voor jezelf en niet voor de democratie, als je te hard vervlochten geraakt met je zetel en met de macht. Ik denk niet dat ik op mijn 78 nog in het parlement zal zitten à la Herman de Croo!

Een vader zien huilen

Mijn mama is nu 64. Toen ze 58 was heeft ze een hersenstaminfarct gehad. Toen ze dat infarct kreeg was ik met mijn ex, toen nog mijn verloofde, in Brazilië. We waren er amper drie dagen en mijn papa belde. Mama lag in coma in het ziekenhuis en ze wisten niet of ze het zou halen. De dokters zeiden dat ik best naar huis kon komen.
Dat was een hele lange, moeilijke reis, via drie verschillende vluchten. Ik heb de reis alleen moeten maken, mijn verloofde was nog in Brazilië. Ik ben een heel zelfstandige vrouw, maar dat was toch niet gemakkelijk. En heel de tijd met die vraag in mijn hoofd: ’Zal ze nog leven als ik aankom?’ Ik wilde haar zo graag nog levend terugzien.
Bij een tussenstop in Spanje dacht ik ineens: ’Ik ga een horloge kopen voor haar’. Als ze nog leefde, dan had ze dat horloge voor de rest van haar dagen. En als ze dood was, zou ik het zelf dragen, met de herinnering aan haar.
Vijf dagen later is mijn mama wakker geworden, en ik heb haar mijn horloge omgedaan.

Ze kon niks meer. Ze kon niet meer praten, ze kon haar armen en benen niet meer bewegen, ze herkende ons nog, maar dat was alles. Dat was een hele zware klap. Tot kort daarvoor ging het leven vlotjes. Je komt altijd vanalles tegen, maar dat stelt nìks voor in het licht van je mama die daar zo ligt. Ik leef hard en ik ga alsmaar door, maar dat moment heeft me doen stilstaan, met de voeten hard op de grond. Het was een les in de nederigheid. Alles wat ik ooit gewild of gepresteerd had, het leek ineens allemaal zo klein. Ik wilde toen maar één ding: dat mijn mama terug in orde was.
Ze gaat nooit terug in orde zijn. Ze kan nu een beetje praten en bewegen, en enkele stappen zetten. Maar het komt nooit meer helemaal goed. Het leven loopt niet altijd zoals je wil. En daar kan je soms echt niks aan doen. Je kan voor heel veel dingen vechten en strijden, maar dit overkomt je gewoon. Daar sta je machteloos tegenover.

Familiaal zijn we door een moeilijke periode gegaan. Op een nacht bleef ik slapen bij mijn ouders in Genk, ik sliep in de kamer naast die van mijn papa. En ik hoorde hem ineens keihard wenen. Ik had hem nog nooit horen wenen. Je gaat dan naar hem toe en probeert hem als dochter te troosten. Hoe doe je dat? Hij was altijd zo’n sterke man. Dat was heel confronterend. Heel zwaar.

 

Zuhal

 

Mijn vader was heel vaak het opstapje dat ik nodig had om te kunnen kiezen en vooruit te gaan. Door wat hij deed en zei toonde hij me wat er mogelijk was. Hij liet me los en stuwde me voort. Zo’n vader is een geschenk.

 

Wat belangrijk is

Ik ga heel vaak naar Genk, elk weekend eigenlijk. En ik probeer zo veel mogelijk fijne dingen te doen met mijn mama. Dan gaan we een wafel eten, of we gaan samen naar de schoonheidsspecialist. Daar genieten we allebei enorm van.
Maar ik ben er niet genoeg voor haar. Dat knaagt. En het geeft me een schuldgevoel. Ze zou me graag dichter bij haar hebben, dat weet ik. Als je in de buurt woont, kan je gemakkelijker eens binnenspringen, een ’klapke’ doen, samen een cake te bakken zoals in de goeie oude tijd. Dat gaat nu niet, daarvoor woon ik te ver. En het moet nù gebeuren, de dokters zeggen dat ze geen 100 jaar zal worden. Ik besef dat het snel gedaan kan zijn. Heel haar leven heeft ze voor mij gezorgd, àlles heeft ze voor mij gedaan. Ik vind dat ik als dochter nu iets voor haar moet terugdoen. En dan denk ik: ’Waarom doe ik het niet? Waarom ga ik niet terug?’

Ik heb mijn politiek mandaat in Antwerpen. Ik ben hier verkozen. En het is een voorrecht te mogen doen wat ik doe. Maar het gaat niet vooruit met mijn mama.
Ik wil haar gewoon ook vaker kunnen knuffelen. Zo van die onnozele, kleine dingen, maar ik wil ze niet allemaal moeten opsparen tot die ene dag dat ik haar zie.
Ik weet eigenlijk wel wat belangrijker is voor mij. (stilte)

Een abnormale politica

Amai, ik ben echt een open boek. Een normale politieker zou zulke dingen niet zeggen, denk ik. Een normale politieker, ja. (lacht) Ik zie mezelf eigenlijk nog altijd niet als een politica. Een ’normale politieker’ wikt en weegt, zegt alleen wat goed klinkt en antwoordt nooit op de vragen. Ik zeg altijd gewoon wat ik denk. Misschien ben ik te weinig bezig met het politieke spel. Ik vorm in Antwerpen een coalitie met Groen, en als een voorstel van Groen goed is voor heel veel mensen, dan zég ik dat ook gewoon. Waarom niet? Maar zo wordt ’het spel’ niet gespeeld natuurlijk. Die spelletjes brengen je misschien hoger op de politieke ladder, maar ik heb geen zin om er tijd en energie in te steken. Je energie kan je maar één keer uitgeven en ik stop ze liever in positieve zaken en in inhoud. Ik heb ook geen ingekaderd plan om binnen zoveel jaar premier of voorzitter te zijn. (lacht) Ik wil dingen in beweging zetten, dingen veranderen, dààrom doe ik aan politiek. Het algemeen belang dienen, dat blijft mijn drijfveer. Ach, het komt gelijk het komt.

Die fotoshoot in P-magazine was ook zoiets dat een ’normale politieker’ misschien niet zou doen. Maar komaan zeg, als vrouw vind ik het gewoon keileuk om eens mooi geschminkt te worden en om al die leuke kleedjes te mogen aandoen. Ik moest ze achteraf wel teruggeven, maar toch. (lacht) Politieker of niet, je blijft in de eerste plaats toch gewoon een mens, een vrouw. Ik blijf vooral gewoon Zuhal.

Dertig stiften van Caran d’Ache, dat was mijn kinderdroom ja. Omdat ik vooral niet anders wilde zijn dan de rest. Ik ben blij dat ik nu gewoon mezelf kan zijn. En natuurlijk heb ik dagelijks nog dromen, grote en kleine. Op korte termijn weer bij mijn mama zijn. Dat is nu de droom. Ik wil er gewoon zijn voor haar.

Zuhal Demir in ‘Wat het is. Vele dromen later.’ (Pelckmans 2015)

Tekst Christina Van Geel. Foto Bas Bogaerts.

 

 

 

Share on Facebook

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *